`Rise and Decline of Verbal and Visuospatial Memory`.

Beelddenken wetenschappelijk onderbouwd

In de jaren ’80 van de vorige eeuw, toonde de psychologe dr. Linda Silvermann van het Gifted Development Center (Denver Colorado) aan, dat er kinderen/mensen zijn die een voorkeur hebben voor het gebruik van het visueel-ruimtelijk geheugen en dat er kinderen/mensen zijn die de voorkeur geven aan het gebruik van het auditief-volgorderlijk geheugen.
In Nederland worden hiervoor meestal de termen taaldenken en beelddenken gebruikt. Deze termen staan voor de twee geheugensystemen Visuospatial Memory en Verbal Memory. Deze geheugensystemen vereisen een andere manier van leren en werken.

Een persoonlijk voorkeur voor een ruimtelijke of talige leerstijl beïnvloedt en bepaalt hoe kinderen met succes hun kennis verwerven en opnemen én hoe volwassenen in het dagelijks leven denken.
Er was heel lang geen wetenschappelijk onderzoek dat daarvoor bewijs kon leveren vanuit de cognitieve neurowetenschappen.

Sharon Thompson-Schill, hoogleraar psychologie en staflid van Penn ’s Center for Cognitve Neuroscience, onderdeel van de Universiteit van Pennsylvania, begon met een onderzoek naar de specifieke reacties in de hersenen. Het bleek dat er bedrijvigheid was in bepaalde hersengebieden, waarvan reeds aangetoond is dat zij hét onderscheid maken bij de verwerking van hetzij talige dan wel visuele informatie.

In eerste instantie moesten de deelnemers een vragenlijst invullen (Verbalizer-Visualizer Questionnaire). De visuele en verbale cognitieve stijlen werden gemeten op 18 onderdelen. Met behulp van de WISC ( een standaard intelligentie test) werden vervolgens de cognitieve vaardigheden -zowel talig als ruimtelijk- gemeten. Daarna namen ze deel aan een fMRI- (functional Magnetic Resonance Imaging) experiment. Tijdens deze sessie moesten de deelnemers een andere psychologische test doen. Er werd gebruik gemaakt van kaartjes, waarbij zowel op woorden als op beelden gebaseerde kaartjes werden gebruikt. Er werd een scan gemaakt terwijl de hersenen aan het werk waren. Zo konden de wetenschappers zien of de deelnemers de informatie via het visuele of het talige geheugensysteem verwerkten.

Tijdens de verwerking van de  woordopdrachten (talig), bleek dat er bij bepaalde deelnemers activiteit voorkwam in een gedeelte van de hersenen waarvan bekend is dat het reageert wanneer er beeldende informatie verwerkt wordt.

Dit is de zogenaamde fusiforme gyrus (onderdeel van het gebied van Brodman) waarvan vastgesteld is dat er kleurverwerking plaats vindt en dat het een rol speelt bij gezichts-en lichaamsherkenning. Het bleek dat er een overeenkomst was met diegenen die op de VVQ vragenlijst een hoge score hadden op het ruimtelijk-visueel denken-.
Hersengebieden die in verband worden gebracht met de fonologische verwerking (klank) (de supra marginale gyrus ) werden gebruikt bij de afbeeldingen (plaatjes) door studenten die zichzelf als talig onderscheidden.

De studie is recentelijk gepubliceerd in Journal of Neuroscience.

In Nederland is het o.a. de neuropsycholoog Prof. dr. Jaap Murre van de UvA, die onderzoek doet naar de werking van het brein met betrekking tot taal- en beelddenken. In het voorjaar van 2010 is er een wetenschappelijk onderzoek afgerond met betrekking tot het beelddenken:

Steun voor beelddenken vanuit wetenschappelijk onderzoek

Jaap Murre, hoogleraar Theoretische Neuropsychologie aan de Universiteit van Amsterdam, heeft in samenwerking met de Vrije Universiteit Amsterdam en Duke University, in het voorjaar van 2010 het wetenschappelijk onderzoek afgerond over het visuele- en verbale leersysteem van mensen: `Rise and Decline of Verbal and Visuospatial Memory.` .

Aan het onderzoek hebben 28.000 mensen deelgenomen in de leeftijd van 11 tot 80 jaar. Er werd onderzocht hoe zich de geheugencapaciteiten ontwikkelen en hoe de afname van de geheugenfuncties verlopen.

Uit dit wetenschappelijk onderzoek komt onder andere duidelijk naar voren dat het geheugen van mensen vanaf het vierde jaar een voorkeur krijgt voor een van beide systemen: Verbal Memory of Visuospatial Memory. Het onderzoek toont aan dat één van deze systemen dominant is. Deze dominantie geldt voor zowel het korte termijn geheugen als het lange termijn geheugen. Er is dus bij mensen vanaf het vierde jaar een duidelijke voorkeur te onderscheiden voor een van beide geheugensystemen.

Hoewel uit het onderzoek naar voren komt dat mensen een voorkeur laten zien in of Verbal Memory of Visuospatial Memory, sluit dit niet uit dat er een groep mensen is die in beide leersystemen dominant is. Uit verder onderzoek is gebleken dat deze dominantie voor meer dan 40% erfelijk wordt bepaald.

Bron: www.coachingommen.nl

Share Button

,

Comments are closed.